Aan het meer – Joost de Wal, kunsthistoricus




I

George Meertens behoort tot de zeldzame hedendaagse Nederlandse kunstenaars die de abstracte kunst verbindt met de christelijke thematiek. Hij treedt daarmee in het spoor van moderne schilders als Alfred Manessier (1911-1993) en Jean Bazaine (1904-2001) – kunstenaars van de Parijse School –, maar ook van Barnett Newman (1905-1970), Georg Meistermann (1911-1990) en Arnulf Rainer (1929). Hun motieven verschillen, maar zij kozen ervoor de christelijke figuratie los te laten en een volkomen nieuwe weg te zoeken voor hun visie op het religieuze.

Manessier behoorde tot de eerste kunstenaars die vlak na de Tweede Wereldoorlog de abstractie (of de non-figuratie) een plek gaf binnen het domein van de christelijke kunst. In zijn afkeer van de kerkelijke kitsch van zijn tijd, van de ‘kwezelarij van Saint-Sulpice’ (bij die kerk in Parijs werd veel gipsen bondieuserie verhandeld) verlegde hij het accent van de illustratie en de anekdote naar de sfeer en de spiritualiteit. ‘Mijn schilderijen zijn de verbeelding van het innerlijke gebed van de mens’, zei Manessier. ‘Ze getuigen van iets wat met het hart wordt ervaren, niet van iets wat met de ogen kan worden gezien.’

Meertens kende Manessier niet, maar het is treffend hoeveel ze met elkaar gemeen hebben. Beiden begonnen als figuratieve kunstenaars. Bij beiden is er een nauw verband tussen de ontdekking van de abstractie en het contact met de monastieke wereld en korte kloosterretraites. En beiden ondervonden pas na hun overstap naar de abstracte kunst dat schilderen en handelen, kunst en existentie, religie en scheppingskracht op een natuurlijke wijze samenvielen. ‘Ik ontdekte dat mijn hele moraliteit, mijn hele esthetiek christelijk gevormd is’, zei Meertens onlangs in een gesprek in zijn atelier. ‘Wat zoek ik toch naar alle kanten, dacht ik; het ligt zo voor het grijpen, ik heb het gewoon. Toen ontdekte ik ook de regel van Benedictus. Die is zo modern: hoe verhoud je je tot de wereld als individu? Wat doe je samen en wat doe je alleen? Hoe deel je een dag in? Hoe breng je structuur aan? Hoe ga je om met vrijheid? Wat is de eigen wil? Alles komt daar bij elkaar. Dat fungeert als een geestelijke verrijking. Dat is wat mijn schilderen voedt.’ Tussen beide kunstenaars is wel een duidelijk verschil in stijl. Manessier werkt met stevige, soms grillige lyrische lijnen en vlakken in uitgesproken kleuren – felrood, blauw, geel – waarin, soms, opeens een figuratief element opduikt: de suggestie van een geselslag, de doorn van de doornenkroon. De abstractie van Meertens is compromislozer. Zijn doeken zijn dicht bezaaid met toetsen en vlekken, ze torenen boven de toeschouwer uit (ook als die doeken klein zijn) en ontladen zich in een nevel van kleuren en tinten. Er is geen spoor meer van figuratie. Ze laten de werkelijkheid achter zich.


II

Toch blijft de nuchtere vraag bestaan: kan abstracte kunst religieus zijn? Kan abstracte kunst christelijke thema’s verbeelden? Je herkent immers niets. Je hebt geen enkel houvast. Is abstracte kunst niet gewoon verf en doek? Probeert abstracte kunst niet juist aan de religie te ontsnappen? Kunstwetenschappers en theologen hebben zich die vraag al vaker gesteld en dat leverde verrassende antwoorden op.

Zo constateerde de Duitse kunsthistoricus Anton Henze (1913) hoe belangrijk de titel is voor de religieuze betekenis van een abstract kunstwerk. Met de titel maakt de kunstenaar een keuze, met de titel draagt hij zijn intentie uit. Een titel geeft een kunstwerk zin een betekenis, een titel voltooit het kunstwerk, zei Henze; door het lezen van de titel kunnen ons de schellen van de ogen vallen. Meertens doet hetzelfde als hij zijn doeken Lichaam van Christus noemt, of Hof van Olijven of Sublacus (de grot bij het meer waar Benedictus zich terugtrok als kluizenaar). Door die confrontatie breken zijn schilderijen plotseling open en ontstaat er een totaal nieuw perspectief. ‘Met een titel maak ik een stap naar een wereld waarin je de ander of jezelf iets wilt beloven’, zegt Meertens. ‘De titels zijn een eerbetoon aan een wereld waar ik vrijwillig voor kies.’

De katholieke kunsttheologen van de Franse Art Sacré-beweging, de Dominicanen Marie-Alain Couturier (1897-1954) en Pie-Raymond Régamey (1900-1996), zagen een diepe verwantschap tussen de abstracte kunst en de kernwaarden van de Dominicaanse spiritualiteit, zoals eenvoud, armoede en zuiverheid. Uit een diep verlangen naar onbaatzuchtige schoonheid, stelde Couturier, doet de abstractie afstand van al het herkenbare en wereldse, en daarmee raakt die kunst als vanzelf aan het heilige. Kort na de Tweede Wereldoorlog gaven Couturier en Régamey talrijke belangrijke kerkelijke opdrachten aan de grote kunstenaars van het modernisme, zonder daarbij te letten op hun achtergrond. Iedere kunstenaar deelt in de goddelijke scheppingskracht, was hun credo, en daar waar die scheppingskracht zijn zuiverste vorm aanneemt, in de abstractie, wordt het verbond tussen God en mens op een ultieme manier tot uitdrukking gebracht.

De Duitse, protestantse theoloog Horst Schwebel (1940) beschouwt de abstracte kunst als een protest tegen het dictaat van de werkelijkheid: abstracte kunst is een visueel verlangen naar onze verlossing van aardse banden en spanningen. Abstracte kunst voert je weg van het zichtbare en brengt je naar het mystieke punt waar niets nog in taal of beeld kan worden uitgedrukt. Langs de weg van het minder ontstaat de eenheid met het meer. Daar komt volgens Schwebel bij, dat God en Christus in hun essentie onkenbaar zijn. Als een kunstenaar een abstract Christusbeeld schildert, maakt hij ons daarvan bewust; het abstracte Christusbeeld beschermt ons tegen de diepe wens om grip te willen krijgen op het onkenbare.

Toen ik Meertens’ abstracte schilderijen voor de eerste keer zag, verdween al deze theorie achter de kracht van de ervaring: het kan niet, dacht ik, je kunt niet niets uitbeelden en op hetzelfde moment een allesomvattende werkelijkheid laten zien. Het kan niet, en toch gebeurt het – en als iets niet kan, maar het gebeurt toch, dan begint er een bijzonder verhaal. Elk doek van Meertens vertelt dat verhaal opnieuw. Sommige doeken kosten hem jaren. Ze lijken zoekend en gejaagd, maar zijn vol rust en contemplatie. Ze lijken te desintegreren, maar vormen één geheel. Ze imiteren niet, ze verwijzen niet, ze zijn. Ze zijn zoals een berg is. Of een bos. Of een meer.